|
Veelgestelde vragen over depressie?
Kan iedereen een depressie krijgen? Jong of oud, zwart of blank, arm of rijk, professor of stratenmaker, gelovig of niet, het maakt niet uit, iedereen kan een depressie krijgen. Wat dat betreft discrimineert depressie niet. Of toch een beetje. Uit onderzoek blijkt immers dat mensen uit de laagste inkomensgroepen en alleenstaanden (ongehuwden, weduwen en weduwnaars, gescheidenen) meer risico lopen. Wellicht komt dat doordat deze mensen in ongunstigere omstandigheden leven. Denk bijvoorbeeld aan huisvesting, financiële armslag en mogelijkheden hun eigen leven in de gewenste richting te sturen. Het kan ook zijn dat mensen met een depressie een groter risico lopen op scheiding, werkloosheid en andere nare ervaringen. Hoe het ook zij, rijkdom, macht of roem vormen echter geen ondoordringbaar schild tegen depressie, dat blijkt wel uit het feit dat ze allerlei beroemde of vooraanstaande mensen in hun greep heeft gehad. Bekende voorbeelden zijn prins Claus, prinses Diana, Britney Spears. Ook Winston Churchill, de premier van het Verenigd Koningrijk tijdens de tweede Oorlog, had vaak periodes van depressie. Hij zegt het zelf zo:
Hoe verloopt een depressie? Depressie begint in de meeste gevallen noch plotseling, noch geleidelijk, het zit er tussen in: de depressie ontwikkelt zich meestal geleidelijk (stiekem of op kousenvoeten) om dan vaak in korte tijd zichtbaar te worden. Soms ontstaat een depressie binnen een paar dagen, soms zelfs binnen een dag. Ook zonder behandeling duurt een depressie gemiddeld vier tot zes maanden. In het gunstige geval gaat een depressie na enkele weken weer over, maar het is mogelijk dat een depressie lang dan een half jaar voortduurt, ja zelfs jaren aanhoudt. In het laatste geval spreekt men van een chronische depressie. Er is nog een andere betekenis van chronisch, namelijk 'vaker terugkerend.' En in deze zin is depressie veel vaker chronisch. De kans om na een depressie opnieuw de ziekte te krijgen is aanzienlijk. Na een eerste depressie is het risico om binnen drie jaar opnieuw een depressie te krijgen zo'n twintig a dertig procent en over een langere periode zelfs vijftig procent of nog meer. Na elke nieuwe depressie stijgt de kans verder dat er vroeg of laat weer een nieuwe depressieve periode volgt. Bij drie of mee depressies is de kans zeventig tot tachtig procent. Een depressiepatiënt maakt uiteindelijk gemiddeld vier depressieve periodes door. Het lijkt er op dat de drempel om een depressie te krijgen na een eerste depressie voorgoed is verlaagd. Tot voor kort werd dit verklaard met de zogenaamde littekenhypothese. Een eerste depressie zou een litteken veroorzaken en iemand voor de rest van zijn leven gevoeliger maken voor nieuwe depressies.. Een team van Amerikaanse onderzoekers heeft deze hypothese, die al uit 1981 stamt en nooit was getest, onlangs onderuit gehaald en wel via een langlopend onderzoek onder 496 pubermeisjes (Beevers et al, 2007) De onderzoekers volgden deze meisjes die bij het begin van het onderzoek tussen de 11 en 15 jaar waren, gedurende zeven jaar. Van hen kregen tijdens de onderzoeksperiode 49 meisjes een depressie die ook tijdens het onderzoek weer overging. Deze meisjes werden vervolgens vergeleken met 98 willekeurige geselecteerde meisjes die gedurende de zeven jaar dat het onderzoek liep niet depressief werden. De onderzoekers kwamen tot de ontdekking dat de 49 meisjes die depressief werd zowel voor als na de depressie verschilden op factoren waarvan bekend is dat ze iemand gevoelig maken voor een depressie, zoals hogere scores op piekeren, minder zelfvertrouwen, meer klagen en minder steun krijgen of ervaren van ouders en vrienden. Een volgende depressie kan dus niet op het conto geschreven worden van psychische en sociale littekens die door de eerste of eerdere depressies zijn veroorzaakt, maar heeft te maken met risicofactoren die vóór de eerste depressie al aanwezig waren. Als je de conclusie hoort, dan denk je wellicht: 'dat klinkt zo logisch als was, dat had ik ook zonder onderzoek kunnen bedenken.' Ervaren onderzoekers klinkt deze tegenwerping bekend in de oren. Veel van wat ze ontdekken, is logisch. Achteraf. Voor depressiedeskundigen was het echter groot nieuws, want zij geloofden tot dit onderzoek werd gepubliceerd in de littekentheorie, die - het zij gezegd - óók heel plausibel klinkt. Hoe het ook zij, het goede nieuws van dit onderzoek voor jou is dat je familielid de kans op herhaling van een depressie kan verkleinen door iets te doen aan de factoren die bij hem geleid hebben tot een depressie. Anders dan mijn depressief familielid meen ik dat hij aan de beterende hand is, kan het zijn dat ik gelijk heb? Ja het niet alleen mogelijk, maar het is zelfs normaal dat jij als naaste eerder ziet dat je familielid aan de beterende hand is dan hijzelf. Dat komt doordat depressie net als andere aandoeningen een reeks van symptomen heeft die in een bepaalde volgorde optreden. Vaak begint de depressie met somberheid. Anderen hebben dan vaak nog niets in de gaten, de betrokkene merkt dit echter zelf wel. Dan komen vaak andere klachten zoals slaapklachten en minder eetlust. Vaak krijgt iemand dan ook problemen met de concentratie en gaat hij klagen over moeheid. Als iemand er dan afgetobt uit gaat zien en ook nog lichamelijke kwalen krijgt, zoals maag of darmklachten, dan wordt de omgeving ongerust. ‘Je moet eens naar de dokter.’ (Als dan hulp wordt gezocht, staan de lichamelijke klachten meestal voorop, geen wonder dat een arts de diagnose dan nogal eens mist). Als de depressie opklaart dan verdwijnen de symptomen in omgekeerde volgorde. De stemming keert pas weer terug naar het vroegere niveau als alle andere klachten zijn verdwenen. Jij als familielid ziet alle veranderingen, maar je familielid wil er nog niets van weten omdat hij nog tobt met zijn stemming. Kan iemand die een depressie heeft met wat extra inspanning niet wat vrolijker worden? Kan een diabeet zijn ontregelde bloedsuikerspiegel weer goed krijgen door zich mentaal een flink op te peppen en te zeggen: ‘’Kop op, je kunt het, als je maar wilt?’ Kan een persoon die lijdt aan zwaar astma van zijn ziekte herstellen door eens flink op zijn tanden te bijten of de schouder er onder te zetten? Natuurlijk niet. Net als diabetes en astma is ook een depressie een ziekte. Desondanks denken veel mensen dat iemand die aan een depressie lijdt van zijn sombere buien kan genezen als hij maar echt wil. Je begrijpt waar ik naar toe wil. Net zo min als dat bij andere ziektes het geval is, heeft een depressie te maken met karakter of een gebrek aan ruggengraat. Iemand met een depressie is niet in staat om met wat extra inzet of wilskracht bij zichzelf een knop om te zetten. Was het maar zo. Niemand zou het liever willen dan de betrokkene zelf. Depressie is niet een kwestie van niet-willen, maar juist van niet-meer-kúnnen-willen. Hoe ontstaat een depressie? Een depressie heeft nooit een oorzaak maar ontwikkelt zich ten gevolge van een ingewikkeld samenspel van meerdere factoren. Aanleg is een van deze factoren. Sommige mensen zijn extra kwetsbaar en lopen een verhoogd risico om een depressie te krijgen. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat ongeveer twintig procent van de bevolking twee korte kopieen heeft van een bepaald gen dat in verband staat met het depressie (het 5 –HTTRLP-gen) en daardoor het meest kwetsbaar is. Ongeveer procent va de bevolking heeft twee lange kopieën van dit gen genen en is daarom het minst kwetsbaar. Daartussenin bevinden zich de overigen zestig procent mensen met een kort en een lang gen die middelmatig gevoelig is voor depressie. Kwetsbaarheid kan behalve aangeboren ook ‘verworven’ worden, met name in de eerste 12 a 16 levensjaren. Een moeilijke jeugd kan ervoor zorgen dat men later minder bestand is tegen stress en tegenslag. Bij een moeilijke jeugd valt te denken aan uiteenlopende zaken als: verlies van ouder(s) door overlijden of echtscheiding (na het vierde levensjaar), gepest of buitengesloten worden door levensgenootjes, geen of weinig liefde krijgen van de ouders (affectieve verwaarlozing). Zoals gezegd is zelden één factor verantwoordelijk voor het ontstaan van een depressie. Zo kunnen ook grote, ingrijpende veranderingen in het leven bijdragen aan het ontwikkelen van een depressie. Deze veranderingen kunnen als het ware precies passen in het slot van de aangeboren of verworven kwetsbaarheid. Of om een andere beeldspraak te gebruiken die de laatste jaren in de biologische psychiatrie erg populair is: bepaalde gebeurtenissen kunnen genen die een depressie kunnen veroorzaken ínschakelen’, bijna net zoals het licht via een schakelaar kan worden aangezet. Grote veranderingen kunnen duidelijk waarneembare stressoren zijn zoals ziekte of overlijden zijn van een dierbare of een traumatische ervaring zoals een aanranding, maar ook minder of niet goed zichtbare veranderingen zijn zoals het slikken van bepaalde medicijnen en hormonale veranderingen. Ook slapeloosheid en langdurig blootstaan aan stress (bijvoorbeeld vanwege een veeleisende of immer ontevreden baas en het continu moeten werken met te krappe deadlines) en het samenkomen van meerdere stressoren in korte tijd, zoals een verhuizing, een nieuwe baan en zwangerschap. Tenslotte kan een depressie ook zonder duidelijke oorzaak ontstaan en plots ‘ uit de lucht komen vallen’. Zoals de eerder in dit geciteerde schrijver Tolstoj overkwam. Hij werd, zoals hij zelf beschrijft, door een depressie verrast:
Kunnen kinderen ook een depressie krijgen? Ja. Experts zeggen dat twee procent van de kinderen (tot 12 jaar) en 5% van de tieners (tussen 12 en 18 jaar) lijdt taan een depressie Vroeger werd de diagnose depressie zelden bij kinderen gesteld. Dat is veranderd sinds we weten dat depressie zich bij kinderen meestal anders manifesteert. Kinderen zeggen bijvoorbeeld niet uit zichzelf dat ze zich somber voelen, maar verraden hun stemming via hun gezichtsuitdrukking en lichaamshouding. En in plaats van gewichtsverlies zien we bij kinderen vaak dat de normale gewichtstoename uitblijft. Ook komt het voor dat kinderen heel veel of juist weinig gaan eten. Vooral een plotselinge verandering in gedrag is 'verdacht'. Een temperamentvol kind dat overloopt van energie en in korte tijd heel rustig wordt en vaak klaagt over moeheid, hoofdpijn, buikpijn of andere kwalen dient onderzocht te worden. Hetzelfde geldt voor kinderen bij wie de schoolprestaties in korte tijd een forse achteruitgang laten zien. Andere symptomen van depressie bij kinderen zijn: bedplassen, plotselinge huilbuien, nachtmerries, slapeloosheid, niet meer lachen, hangerigheid en apathie of het tegendeel agressiviteit en ander storend gedrag. Sommige kinderen die als diagnose hebben gekregen 'aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit' (ofwel met de Engelse afkorting ADHD-kinderen) met als kenmerken snel afgeleid, hyperactief en concentratieproblemen, lijden aan een depressie. Naarmate kinderen ouder worden gaat de depressie steeds meer lijken op die van volwassenen. Zo wijkt het beeld van depressie bij oudere kinderen nog maar weinig af van dat van volwassenen. Net als het geval is bij volwassenen mag men er niet van uitgaan dat depressies bij kinderen vanzelf overgaan. Therapeuten die gespecialiseerd zijn in de behandeling van kinderen beschikken over effectieve behandelmethodes die geënt zijn op die van volwassenen. Het is dus niet zo dat kinderen alleen geholpen zijn met pillen, neen ook zij kunnen veel baat hebben bij psychotherapie. Ja, vaak nog meer bij psychotherapie dan bij antidepressiva. Dat wil overigens niet zeggen dat psychotherapie voor kinderen iets is waar ze graag naar uit kijken. Dit fragment van een therapiesessie tussen een mannelijke therapeut en een zestienjarig meisje maakt dit duidelijk:
(Ann Packer, 2007) Helpt Sint-Janskruid bij depressie? Er is inmiddels een groot aantal onderzoeken gepubliceerd
waarin Sint-Janskruid (SJK) is onderzocht op werkzaamheid. Alle tezamen genomen
zijn er voldoende aanwijzingen dat SJK werkt bij patiënten met een niet al te
ernstige depressie. Bij patiënten met een ernstige depressie is het middel
onvoldoende onderzocht. Een groot probleem bij de toepassing is echter dat in
het extract dat gebruikt wordt verschillende stoffen zitten die allemaal een
antidepressieve werking kunnen hebben zonder dat duidelijk is welke stof het
beste werkt of in welke combinatie. De verschillende preparaten die in Nederland
in de handel zijn hebben ook nog eens een verschillende samenstelling.
|