|
Behandeling met medicijnen
Wanneer er sprake is van een matige of zware/ernstige depressie,
komt behandeling met medicijnen vaak voor, vooral als er zogeheten
vitale kenmerken bij voorkomen (zie diagnose). Medicijnen die tegen
depressies worden voorgeschreven, worden antidepressiva genoemd. Soms helpt het eerst voorgeschreven middel niet en moet een tweede of zelfs een derde worden geprobeerd.
Bij ongeveer 20-30 procent van de mensen met een matige/gemiddelde of ernstige
depressie slaat de medicatie niet aan, of de werking van de
antidepressiva is onvoldoende. Antidepressiva Antidepressiva zijn onder
te verdelen in vier groepen:
Groep 1: de tricyclische antidepressiva of TCA's TCA's worden al zo'n dertig jaar gebruikt. Ze zorgen ervoor dat stoffen in de hersenen die voor de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen zorgen (neurotransmitters), langer actief blijven. Er zijn veel verschillende soorten TCA's, zoals bijvoorbeeld amitriptyline (Tryptizol, Sarotex) en clomipramine (Anafranil). Het duurt ongeveer tien à veertien dagen voordat ze gaan werken. Pas na ongeveer zes weken is de werking optimaal. Modernere TCA's lijken minder bijwerkingen te hebben dan de oudere tricyclische antidepressiva. Bijwerkingen die geregeld voorkomen zijn o.a. een droge mond, duizeligheid, veel transpireren, obstipatie en problemen met plassen. Meestal verdwijnen de bijwerkingen na een week of twee. Helaas zijn mensen vaak geneigd vroegtijdig te stoppen met de medicijnen, omdat ze wel last hebben van de bijwerkingen maar nog geen verbetering van de stemming merken. De tricyclische antidepressiva kunnen verder complicaties geven als u aan een andere aandoening lijdt, bijvoorbeeld een hartziekte, epilepsie, lever- of nierfunctiestoornissen of een prostaataandoening. De arts zal daarom rekening houden met uw situatie bij het voorschrijven van een tricyclisch middel. Groep 2: selectieve serotonine-heropnameremmers (SSRI's) SSRI's zijn een nieuwe en veel voorgeschreven groep antidepressiva. Serotonine speelt een belangrijke rol bij de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen. De stof wordt, nadat deze stof is afgegeven door zenuwcellen in de hersenen, gewoonlijk snel weer door de cellen opgenomen. SSRI's remmen die heropname, waardoor meer serotonine in de hersenen komt. Tot deze vrij nieuwe groep medicijnen behoren o.a. fluoxetine (Prozac), fluvoxamine (Fevarin) en paroxetine (Seroxat). Deze middelen hebben andere, meestal minder ernstige, bijwerkingen dan de tricyclische antidepressiva. Toch veroorzaken ze soms ongemakken zoals misselijkheid, diarree, obstipatie, hoofdpijn, slapeloosheid of een onrustig of angstig gevoel. Net als bij de oudere typen medicijnen duurt het zo'n tien dagen tot zes weken voordat het middel optimaal werkt. De bijwerkingen moeten binnen een paar weken verdwenen zijn. Houden ze langer dan twee weken aan of veroorzaken ze veel ongemak, stel u uw arts daar dan van op de hoogte. Groep 3: Mono-amino-oxidase-remmers of MAO-remmers MAO-remmers remmen het mono-amino-oxidase enzym, dat de neurotransmitters (die impulsen van de ene zenuwcel naar de andere overbrengen) afbreekt. Daardoor stijgt de hoeveelheid neurotransmitters en vermindert de depressie. Net als TCA's zijn ze al dertig jaar in gebruik. MAO-remmers worden tegenwoordig niet vaak meer voorgeschreven, omdat ze pas na lange tijd gaan werken en veel mogelijke bijwerkingen hebben. Bovendien kunnen deze medicijnen in combinatie met bepaalde voedingsmiddelen (bijvoorbeeld rode wijn, kaas en chocolade) een gevaarlijke bloeddrukstijging en ernstige hoofdpijn teweegbrengen. Een nieuwere MAO-remmer, moclobemide, heeft waarschijnlijk minder bijwerkingen. Toch is men voorzichtig met het voorschrijven van dit middel. MAO-remmers zijn met name geschikt voor depressieve mensen die andere antidepressiva niet kunnen verdragen of er geen baat bij hebben gehad. Groep 4: Andere medicijnen tegen depressies Er worden steeds nieuwe medicijnen tegen depressies ontwikkeld. Voorbeelden van nieuwe middelen zijn: mianserine (Tolvon), mirtazapine (Remeron) en nefazodon (Dutonin). Ze beïnvloeden bepaalde chemische hersenstoffen en hebben soms bepaalde voordelen boven de oudere typen medicijnen. Als u denkt dat deze nieuwe medicijnen misschien iets voor u zijn, ga dan naar uw huisarts voor uitgebreidere informatie. Veel van de meest gebruikte antidepressiva vallen in deze vier categorieën, maar niet alle. Zo wordt lithium gebruikt om mensen te behandelen die lijden aan bipolaire stoornissen, dat wil zeggen dat ze zowel manische als depressieve perioden hebben. Antidepressiva kunnen ook gebruikt worden in combinatie met andere medicijnen, zoals slaappillen of kalmeringsmiddelen, om een aantal bijkomende problemen van de depressie het hoofd te bieden. Bijwerkingen Werking van antidepressiva komt langzaam op gang Het is belangrijk om te weten dat het effect van een antidepressivum niet meteen begint. Er kunnen twee tot vier weken verstrijken, voordat de stemming verbetert. Het kan zelfs vier tot zes weken duren voor de depressie
minder wordt en de cliënt
weer kan functioneren. Het is belangrijk dat dit verteld wordt, om te voorkomen dat de
cliënt
al na een paar dagen teleurgesteld de medicijnen niet meer inneemt. Als het eerste middel niet aanslaat kunnen andere antidepressiva soms wel helpen. Naast het gebruik van medicijnen blijft de begeleiding door de
hulpverlener, arts of psychiater in de vorm van informatieve en steunende gesprekken van essentieel belang. Bloedspiegelbepaling Als na vier tot zes weken het gewenste resultaat van een antidepressivum uitblijft, heeft het geen zin om nog langer op resultaat te wachten. Er zijn dan drie mogelijkheden: de dosering is te laag, het middel helpt niet of de
cliënt
neemt het middel onregelmatig of wellicht helemaal niet meer in. De laatste tijd wordt er vaker gebruikgemaakt van de mogelijkheid de concentratie van het antidepressivum in het bloed te meten. Dit heet een ‘bloedspiegelbepaling’. Vooral als het te verwachten effect uitblijft, heeft het meten van de bloedspiegel zin. Is de bloedspiegel laag, dan kan geprobeerd worden of een hogere dosering misschien wel helpt. Als de bloedspiegel binnen therapeutische grenzen ligt, heeft verder gebruik van het middel geen zin en kan er beter voor een ander middel gekozen worden. Een goede bloedspiegel hoeft nog niet te betekenen dat de cliënt ook zal verbeteren. Er is op dit gebied nog veel onduidelijk, zodat in de toekomst meer wetenschappelijk onderzoek nodig zal zijn. Van een aantal antidepressiva zijn zogenaamde therapeutische bloedspiegels bekend. Deze middelen hebben wat betreft de concentratie een inmiddels bekende onder- en bovengrens waarbinnen effect kan worden verwacht. Alleen bij deze middelen is bloedspiegelbepaling zinvol. Begin van de werking De eerste dagen zal de
cliënt , behalve eventuele bijwerkingen, nog maar weinig van het
antidepressivum merken. De omgeving ziet vaak eerder dan de cliënt
zelf als er een verbetering op til is. Als de medicatie werkt kan het
bijvoorbeeld zijn dat je dit kunt zien aan de gezichtsuitdrukking. Het
gezicht staat bijvoorbeeld minder angstig en gespannen. De cliënt
wordt ook wat actiever als de medicatie aanslaat. De stemmingsverbetering blijft
meestal nog even achterwege. Dit kan een risico zijn wanneer de cliënt
bijvoorbeeld suïcidaal is. De ‘rem’ gaat er wat vanaf, terwijl de stemming nog somber kan zijn. Het gevaar voor zelfdoding kan dan aanwezig zijn.
De stemmingsverbetering komt geleidelijk op gang, zodat de cliënt
na een paar weken ook zelf voelt dat de depressie minder aan het worden is. De
depressie is hiermee nog niet echt ‘genezen’.
Onttrekkingsverschijnselen
Abrupt stoppen met medicatie verhoogt de kans op zogeheten onttrekkingverschijnselen. Het kan daarbij zowel om psychische als om lichamelijke klachten gaan: clienten die plotseling met hun medicijnen stoppen, klagen over prikkelbaarheid, huilbuien, levendige dromen, angsten en zelfs hallucinaties, maar ook over duizeligheid, misselijkheid en slapeloosheid. Het meest opvallende verschijnsel is het optreden van spiertrekkingen en schokken, die vergeleken worden met elektrische schokken. De onttrekkingsverschijnselen kunnen per antidepressivum verschillen. Sommige antidepressiva geven nauwelijks of geen klachten, terwijl de verschijnselen bij andere middelen heeft heftig kan zijn. Relaps en recurrence Wanneer binnen een half jaar tot een jaar gestopt wordt met het antidepressivum, loopt de client
het risico, dat de depressie, die nog niet helemaal verdwenen was, in alle hevigheid weer losbarst. Dit wordt een relaps of terugval genoemd.
Ook na een jaar is de kans op terugkeer van de depressie aanwezig. We spreken dan van recurrence.
Meestal is het niet moeilijk achteraf een oorzaak aan te wijzen voor het opnieuw optreden van een depressie. Voor clienten is na verloop van een aantal jaren een steeds kleinere aanleiding nodig genoeg om een volgende periode te doen ontstaan. We spreken in dit verband over het 'kindling verschijnsel'. Bij een aantal clienten lijkt de depressie iedere keer weer terug te komen. Zo'n relaps of recurrence treedt vooral op als het antidepressivum afgebouwd is. De depressie is dan te beschouwen als een blijvende of chronische aandoening, vergelijkbaar met suikerziekte en hoge bloeddruk. |